AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijke toewijzing verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot
De enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 maart 2024 een verzoek op grond van artikel 530 SvPro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand door de verzoeker. De zaak was geseponeerd op 17 augustus 2023, waarna de verzoeker een vergoeding van € 1.593,63 voor rechtsbijstand en € 680,00 voor de behandeling van het verzoekschrift vorderde.
De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het verzoek gedeeltelijk kon worden toegewezen en matigde het gevorderde bedrag tot € 1.346,73 vanwege de gebruikelijke maximale declarabele tijd van 30 minuten na sepot. De raadsman handhaafde het oorspronkelijke verzoek zonder aanvullende omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de gevorderde kosten voor rechtsbijstand bovenmatig waren vanwege te ruime tijdsbesteding na het sepot en matigde het bedrag tot een redelijke en billijke vergoeding van € 1.346,73. Voor de kosten van het verzoekschrift werd het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend. Het totaal toegekende bedrag van € 2.026,73 wordt overgemaakt aan de gemachtigde advocaat. Het verzoek tot verdere vergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand gedeeltelijk toegewezen en gematigd tot € 2.026,73.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-205984-23
raadkamernummer : 23-022070
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),
hierna te noemen: de verzoeker.
1.De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
het sepot van 17 augustus 2023;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 maart 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein en de gemachtigd raadsman mr. T. Roggenkamp gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling in raadkamer verschenen.
2.De standpunten
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek gedeeltelijk kan worden toegewezen. Nadat de zaak is geseponeerd mag er in de regel nog 30 minuten aan werkzaamheden gedeclareerd worden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen die maken dat er meer tijd nodig was. De officier van justitie verzoekt het verzoek te matigen tot € 1.346,73.
De raadsman handhaaft het verzoekschrift. De raadsman kan geen specifieke omstandigheden aanvoeren waardoor er meer dan 30 minuten aan de zaak besteed is nadat er geseponeerd was. De tijd die geschreven is als zijnde tijd besteed aan de zaak is de tijd die de zaak nodig had.
3.De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 SvPro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 1.593,63 komt de rechtbank bovenmatig voor. Gelet op de te ruime tijdsbesteding nadat het openbaar ministerie de zaak had geseponeerd. De rechtbank acht een bedrag van € 1.346,73redelijk en billijk.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00toegekend.
4.De beslissing
De rechtbank:
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 SvProtoe tot een bedrag van € 2.026,73.
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 SvPro voor het overige af.
De rechtbank bepaalt dat een bedrag van € 2.026,73 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Beheer Derdengelden Van Asselt & Broere Strafrechtadvocaten, ovv: “[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 25 maart 2024 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 enPro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 SvPro).