De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken over een minderjarige, geboren in 2015. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de minderjarige woont bij de moeder. De ondertoezichtstelling van de minderjarige is verlengd tot augustus 2024. De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g BW een nieuwe zorgregeling vast te stellen, omdat de bestaande regeling uit 2019 niet meer passend is door de veranderde situatie en de moeilijke opvoedingssituatie met huiselijk geweld en instabiliteit.
Tijdens de mondelinge behandeling was de moeder via beeldbellen aanwezig, de vader was opgeroepen maar niet verschenen. De moeder stemt in met het verzoek, ondanks eerdere moeilijkheden met de vader vanwege diens problematiek en geweld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert inwilliging van het verzoek in het belang van de minderjarige, om rust en duidelijkheid te creëren.
De kinderrechter stelt een co-ouderschapsregeling vast waarbij de minderjarige in oneven weken bij de moeder verblijft en in even weken bij de vader, met gedetailleerde afspraken over wisselmomenten, vakanties, feestdagen en verjaardagen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden met hoger beroep worden aangevochten. De beslissing is genomen in het belang van de minderjarige en beoogt stabiliteit en duidelijkheid in de zorgverdeling.