ECLI:NL:RBZWB:2024:2625

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
RK 23-025413
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 552d lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring klaagschrift na verbeurdverklaring geldbedrag door politierechter

Klager heeft een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv tegen de inbeslagname van een geldbedrag van €73.000,-. De behandeling van het klaagschrift werd aangehouden tot na de inhoudelijke behandeling van de strafzaak door de politierechter op 1 maart 2024.

Op die datum heeft de politierechter klager veroordeeld tot een taakstraf en het geldbedrag verbeurd verklaard. Klager stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was het klaagschrift te behandelen, maar dat het klaagschrift niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het vonnis reeds was gewezen en het geldbedrag verbeurd was verklaard.

De rechtbank baseerde haar beslissing op de wettelijke bepalingen en jurisprudentie, waaronder de Hoge Raad-uitspraak van 2 juli 2013. De beslissing werd op 19 april 2024 uitgesproken door rechter J.C.A.M. Los. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het vonnis van de politierechter reeds is gewezen en het geldbedrag verbeurd is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer : 02-160222-23
raadkamernummer : 23-025413
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats]
hierna te noemen: klager.
Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. R. Moghni, advocaat te Rotterdam, op het adres Henegouwerlaan 67a te 3021 CT Rotterdam.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 30 juni 2023 onder [belanghebbende] in het strafvorderlijk onderzoek tegen [klager] in beslag is genomen: een geldbedrag ter waarde van € 73.000,- (verder te noemen: het geldbedrag).
  • het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 9 oktober 2023 ter griffie van deze rechtbank;
  • het verweerschrift van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 2 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. R. Moghni als gemachtigd raadsman.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbende (overeenkomstig artikel 552a lid 5 Sv) [belanghebbende] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De behandeling van het klaagschrift is ten tijde van de eerdere behandeling op 24 januari 2024 aangehouden, omdat de zaak voor een inhoudelijke behandeling gepland stond op 1 maart 2024. De raadkamer voelde zich niet vrij een beslissing te nemen op het klaagschrift, omdat deze beslissing pas na de inhoudelijke behandeling zou kunnen worden genomen.
Op 1 maart 2024 is door de politierechter in Breda inhoudelijk een beslissing genomen in de strafzaak. De politierechter heeft klager veroordeeld tot een taakstraf en het in beslag genomen geldbedrag verbeurd verklaard. Tegen de uitspraak van de politierechter heeft klager hoger beroep ingesteld.
Ppartijen hebben desgevraagd hun standpunt over de bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van het klaagschrift naar voren gebracht.
Mr. Moghni namens klager
De rechtbank is bevoegd het klaagschrift te behandelen. Er is hoger beroep ingesteld, maar het klaagschrift is ingediend voordat er hoger beroep is ingesteld. De raadsman verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:148). De uitpsraak van de politierechter is nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij niet bevoegd is, wijst de raadsman op de doorzendplicht van de rechtbank (HR 23 november 1993 LJMZC9285 NJ1994/264). Inhoudelijk stelt de raadsman zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe het nodige naar voren gebracht.
De officier van justitie
De rechtbank is bevoegd om het klaagschrift te behandelen. Desondanks dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Er is inmiddels vonnis gewezen in de strafzaak. Daarbij is ook beslist over het in beslag genomen geld.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is ingediend voordat er door klager hoger beroep is ingesteld.
Het klaagschrift is tijdig ingediend
Op 1 maart 2024 heeft de politierechter in Breda vonnis gewezen in de strafzaak tegen klager. Daarbij is het in beslag genomen geldbedrag verbeurd verklaard. Bij die stand van zaken zal de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is op 19 april 2024 genomen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).