De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 april 2024 een zaak betreffende de zorgregeling van een minderjarige, waarbij de omstandigheden sinds een eerdere beschikking in april 2023 aanzienlijk waren gewijzigd. De minderjarige verblijft nu merendeels bij de moeder, maar er is behoefte aan een stabiele en frequente vaderrol.
Partijen hebben onderling afspraken gemaakt en stappen gezet in hun communicatie, maar er blijven zorgen over de rol van de vader en de invloed van de moeder op het loyaliteitsconflict van de minderjarige. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren nader onderzoek en begeleiding om tot een passende regeling te komen.
De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de minderjarige om de veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond bij de vader verblijft, met een extra woensdagavondcontact in de week zonder weekendverblijf. De overige dagen verblijft de minderjarige bij de moeder. De GI voert de regie over deze regeling en kan deze aanpassen indien nodig.
De beslissing over de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor zes maanden om partijen onder begeleiding van de GI tot een ouderschapsplan te laten komen. De rechtbank benadrukt het belang van een consistente vaderrol en verwacht dat de vader de voorlopige regeling kan uitvoeren. Schriftelijke rapportage over de voortgang wordt gevraagd voor 23 oktober 2024.