De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2010 en machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie. De minderjarige verblijft momenteel in een jeugdhulpvoorziening vanwege ernstige psychische problemen, waaronder suïcidale gedachten, en een problematische verstandhouding tussen de gescheiden ouders die het ouderlijk gezag delen.
Tijdens de mondelinge behandeling waren de ouders, hun advocaten, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De minderjarige gaf aan dat het verblijf in de jeugdhulpaccommodatie rustiger is dan thuis, en zij wil op termijn bij haar moeder wonen. De ouders erkennen de problematiek en stemmen in met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, waarbij zij benadrukken dat de situatie dringend hulp vereist en dat de samenwerking tussen hen verbeterd moet worden.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling zijn vervuld. Er is sprake van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige door haar psychische toestand en de problematische thuissituatie. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegekend omdat thuis wonen momenteel niet haalbaar is. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de noodzakelijke hulp snel te kunnen inzetten.
De kinderrechter benadrukt het belang van een vast aanspreekpunt voor de ouders zolang er geen vaste jeugdbeschermer is, en het continueren van de hulpverlening. De ondertoezichtstelling geldt van 19 maart 2024 tot 19 maart 2025, de machtiging tot uithuisplaatsing van 19 maart 2024 tot 19 december 2024.