Art. 7 lid 2 EEX-Vo IIArt. 2 Verdrag van Lugano 2007Art. 22 Verdrag van Lugano 2007Art. 24 Verdrag van Lugano 2007Art. 4 EEX-Vo II
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij onrechtmatige daad met buitenlandse gedaagden
In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van €600.000 wegens een onrechtmatige daad gepleegd door meerdere gedaagden woonachtig in Duitsland en Zwitserland. Eiser stelt dat gedaagden door listige kunstgrepen hem hebben bewogen tot het sluiten van een geldleningsovereenkomst met een niet-bestaande vennootschap, waarna het geld niet is terugbetaald.
De rechtbank toetst ambtshalve haar internationale bevoegdheid. Ten aanzien van de Zwitserse gedaagde is het Verdrag van Lugano 2007 van toepassing. Hoewel de hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats bevoegd is, verklaart de rechtbank zich bevoegd vanwege de vrijwillige verschijning van deze gedaagde.
Voor de Duitse gedaagden is de EEX-Verordening II van toepassing. De hoofdregel is dat de rechter van de woonplaats bevoegd is. Aangezien deze gedaagden niet verschenen zijn en geen afwijkende forumkeuze is gesteld, oordeelt de rechtbank zich onbevoegd. Eiser beroept zich op artikel 7 lid 2 EEXPro-Vo II dat bevoegdheid kan bestaan op de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, maar de rechtbank volgt het Hof van Justitie EU dat dit niet de woonplaats van eiser betreft maar de plaats van het schadebrengende feit zelf. De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft eiser gelegenheid zich uit te laten over de gevolgen hiervan voor het toepasselijke recht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd ten aanzien van de Zwitserse gedaagde en onbevoegd ten aanzien van de Duitse gedaagden en houdt verdere beslissing aan.
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/418015 / HA ZA 24-34
Vonnis van 1 mei 2024
in de zaak van:
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.R. Leenders,
tegen
1.[gedaagde sub 1] ,
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde sub 1,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
die niet is verschenen,
2.2. [gedaagde sub 2] ,
te [plaats 3] (Duitsland),
gedaagde sub 2,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
die niet is verschenen,
3.3. [gedaagde sub 3] ,
te [plaats 4] (Zwitserland),
gedaagde sub 3,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
bezoekende advocaat: Volker Gensch (Duitsland),
samenwerkende advocaat: mr. T. Teke,
4.[gedaagde sub 4] ,
te [plaats 5] (Duitsland),
gedaagde sub 4,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
die niet is verschenen,
hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden.
1.De procedure
1.1.
De procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaardingen;
- de akte overlegging producties van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 3] ;
- het tegen gedaagden sub 1, 2 en 4 verleende verstek.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2.De vordering
2.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - veroordeling van gedaagden tot betaling van € 600.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[eiser] legt hieraan - eveneens kort samengevat – een door ieder van gedaagden, althans door enige gedaagde gepleegde onrechtmatige daad ten grondslag. Gedaagden hebben één of meerdere strafbare feiten gepleegd tegenover [eiser] . Zij hebben namelijk door het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, door listige kunstgrepen, [eiser] bewogen tot de afgifte van enig goed waarbij gedaagden het oogmerk hebben gehad om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. De gedragingen kwalificeren als oplichting, althans verduistering. [eiser] is ertoe bewogen een overeenkomst van geldlening te sluiten met een niet bestaande vennootschap in Liechtenstein, vertegenwoordigd door een inmiddels overleden bestuurder. [eiser] heeft vervolgens een bedrag van € 600.000,00 overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde sub 2] . Het geld zou worden terugbetaald, maar dat is niet gebeurd. Er is dan ook sprake van schade, aldus [eiser] .
3.De beoordeling
3.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter. Gedaagden wonen namelijk in Duitsland, dan wel Zwitserland. De rechtbank moet daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
ten aanzien van [gedaagde sub 3]
3.2.
Waar het gaat om [gedaagde sub 3] die woonachtig is in Zwitserland, overweegt de rechtbank dat het Verdrag van Lugano [1] uit 2007 van toepassing is.
3.3.
De hoofdregel van artikel 2 houdtPro in dat een gedaagde in beginsel voor het gerecht van diens woonplaats moet worden opgeroepen. Dit betekent dat in beginsel de Zwitserse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil ten aanzien van [gedaagde sub 3] . Volgens artikel 24 isPro echter het gerecht van een door dit verdrag gebonden staat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, tenzij de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat volgens artikel 22 bijPro uitsluiting bevoegd is. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank doet geen van die uitzonderingen zich hier voor.
3.4.
Dit betekent dat de rechtbank voornemens is om zich ten aanzien van [gedaagde sub 3] op grond van artikel 22 vanPro het Verdrag van Lugano bevoegdte verklaren vanwege haar vrijwillige verschijning in deze procedure.
ten aanzien van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4]
3.5.
Waar het gaat om [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] , allen woonachtig in Duitsland, overweegt de rechtbank dat de EEX-Vo II [2] van toepassing is.
3.6.
De hoofdregel van artikel 4 EEXPro-Vo II houdt eveneens in dat een gedaagde in beginsel voor het gerecht van diens woonplaats moet worden opgeroepen. Dit betekent dat in beginsel de Duitse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil ten aanzien van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] . Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een afwijkende forumkeuze (artikel 25) en van vrijwillige verschijning (artikel 26) van deze drie gedaagden is evenmin sprake. Tegen hen is verstek verleend.
3.7.
De rechtbank overweegt volledigheidshalve dat bevoegdheid ook niet kan worden aangenomen op grond van artikel 6 vanPro het Verdrag van Lugano, voor de gevallen waarin er meer dan één verweerder is, omdat het dan moet gaan om het gerecht van de woonplaats van “een hunner” en geen van de gedaagden is woonachtig in Nederland.
3.8.
[eiser] heeft gesteld dat de Nederlandse rechter (meer specifiek deze rechtbank) bevoegd zou zijn, omdat de schade zou zijn geleden in Nederland, ter plaatse van de woonplaats van de geldverstrekker ( [eiser] ). Hij beroept zich op artikel 7 lid 2 EEXPro-Vo II. Hierin is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
3.9.
De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie EU in het arrest Kronhofer/Maier [3] , onder verwijzing naar het arrest Marinari/Lloyds Bank [4] , heeft geoordeeld dat onder “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” (of zich kan voordoen) niet valt de plaats waar de verzoeker woont of waar zich het “centrum van zijn vermogen” bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het – in een andere lidstaat ingetreden en door hem geleden – verlies van onderdelen van zijn vermogen. Door de overboeking vanaf de in Nederland door [eiser] aangehouden rekening naar de rekening van [gedaagde sub 2] was naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in ieder geval nog geen schade ontstaan. Het gaat erom wat er is gebeurd vanaf de in Duitsland aangehouden rekening.
3.10.
Gelet op de overwegingen hiervoor is de rechtbank voornemens om zich onbevoegdte verklaren ten aanzien van de gedaagden [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] . De rechtbank stelt [eiser] in de gelegenheid zich hierover uit te laten.
3.11.
De rechtbank geeft [eiser] in overweging om zich ook uit te laten over de vraag of de overwegingen onder 3.9. gevolgen hebben voor zijn standpunt ten aanzien van het toepasselijke recht. [eiser] stelt dat op grond van artikel 4 lid 1 RomePro II [5] Nederlands recht moet worden toegepast op het geschil omdat hij in Nederland vermogensschade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat, hoewel de EEX-Vo II en Rome II verschillende doelstellingen hebben, aannemelijk is dat de (hierboven aangehaalde) jurisprudentie van het Hof van Justitie EU in het kader van artikel 7 lid 2 EEXPro-Vo II ook van belang is voor de interpretatie van artikel 4 lid 1 RomePro II.
3.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 mei 2024voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder rechtsoverwegingen 3.9, 3.10 en 3.11,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
Voetnoten
1.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ook wel: EVEX II-Verdrag
2.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), ook wel: Brussel I bis
3.HvJ EU 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)
4.HvJ EU 19 september 1995, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari/Lloyds Bank)
5.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen