Op 10 oktober 2021 weigerde verdachte te voldoen aan een bevel of vordering van een politieambtenaar om weg te gaan en verzette hij zich met geweld tegen zijn aanhouding door meerdere opsporingsambtenaren. De rechtbank achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van de verbalisanten en de context waarin verdachte handelde.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een bevel of vordering en dat het verzet stopte bij aanhouding, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank stelde vast dat verdachte ondanks meerdere waarschuwingen niet wegging en zich na aanhouding losrukte en wild om zich heen sloeg en trapte.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zich erg hinderlijk gedroeg en het werk van de opsporingsambtenaren bemoeilijkte, temeer daar zij in een benarde positie verkeerden door aanvallen van derden. Gezien de ernst van de feiten en een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden, legde de rechtbank een geldboete van €500 op, met aftrek van de tijd in verzekeringstelling, en vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-betaling.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze niet-ontvankelijk omdat er geen oorzakelijk verband was met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij werd verwezen naar de burgerlijke rechter.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 april 2024.