ECLI:NL:RBZWB:2024:271

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2024
Publicatiedatum
19 januari 2024
Zaaknummer
C/02/416618 / JE RK 23-2137
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Stichting Jeugdbescherming West Zeeland heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van een minderjarige geboren in 2019. De ouders hebben het ouderlijk gezag. Eerder waren de OTS en MUHP reeds verleend en verlengd tot januari 2024.

De kinderrechter heeft de stukken beoordeeld zonder mondelinge behandeling, aangezien de belanghebbenden niet hebben gereageerd op de uitnodiging hiertoe. Uit de stukken blijkt dat er concrete bedreigingen zijn in de ontwikkeling van de minderjarige, waardoor de wettelijke grond voor verlenging van de OTS en MUHP aanwezig is.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van één jaar, van 25 januari 2024 tot 25 januari 2025, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct gevolgd moet worden, ook bij hoger beroep. De uitspraak is gedaan door kinderrechter Dijkman op 22 januari 2024.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/416618 / JE RK 23-2137
Datum uitspraak: 22 januari 2024
beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd in Middelburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 1 december 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 1 december 2023.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 25 januari 2023 en tot 25 januari 2024.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2023 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met ouderlijk gezag, te weten de moeder, tot 25 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 augustus 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met ouderlijk gezag, te weten de moeder, verlengd met ingang van 25 augustus 2023 en tot 25 januari 2024.
2.7.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatst genoemde machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van een jaar.

4.De beoordeling

4.1.
Door de GI is bij het verzoekschrift aangegeven dat zij geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling. Door de belanghebbenden is niet gereageerd op de brief van 19 december 2023 van deze rechtbank waarin is vermeld dat, wanneer de belanghebbenden dat wenselijk achten, het verzoek besproken kan worden tijdens een mondelinge behandeling. De kinderrechter acht op grond van de overgelegde stukken een mondelinge behandeling niet nodig.
4.2.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat er concrete bedreigingen zijn in de ontwikkeling van [minderjarige] , zoals vermeld in het verzoekschrift. Gelet hierop is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de ondertoezichtstelling met een jaar worden verlengd (artikel 1:260 lid 1 BW Pro). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c lid 2 BW). De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. Deze kinderbeschermingsmaatregelen worden verlengd met ingang van 25 januari 2024 en tot 25 januari 2025.
4.3.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat deze beschikking alvast gevolgd moet worden, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
4.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 25 januari 2024 en tot 25 januari 2025;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van een jaar met ingang van 25 januari 2024 en tot 25 januari 2025;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2024, in aanwezigheid van mr. Hol, griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.