Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Motivering
- Het eerst bekende saldo op de rekeningen bij de Luxemburgse bank is op 31 december 2007 € 181.317,21;
- De gebruikelijke werkwijze van belanghebbende was dat opbrengsten behaald via de NAFA op deze Luxemburgse bankrekening werden gestort;
- Op 10 juli 2003 is een veilingopbrengst via de NAFA van € 54.659,40 ($ 57.600,52) gegenereerd;
- Op 13 juni 2007 is een veilingopbrengst via de NAFA van € 94.843,30 ($126.574) behaald.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar over de navorderingsaanslag vpb 2006 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar over de navorderingsaanslag vpb 2006;
- vermindert de navorderingsaanslag vpb 2006 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 616.651 en vermindert de bij die navorderingsaanslag in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2008, 2009 en 2012 die de boetebeschikkingen betreffen;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag vpb 2008 tot € 11.310;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag vpb 2009 tot € 5.834;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag vpb 2012 tot € 20.804;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 360 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.370 aan proceskosten aan belanghebbende.