Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden en de daaraan gekoppelde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing voor het jaar 2021. De heffingsambtenaar had de waarde van zeven onroerende zaken vastgesteld, waarvan één waarde werd verlaagd na overeenstemming tijdens de zitting. De overige beroepen werden ingetrokken, behalve het verzoek om immateriële schadevergoeding.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden tussen ontvangst van het bezwaar en de uitspraak, wat recht gaf op een immateriële schadevergoeding. Deze vergoeding werd vastgesteld op €100, waarvan €80 voor rekening van de heffingsambtenaar kwam en €20 voor de minister van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor het object waarvan de waarde was verlaagd en bepaalde dat de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft van het griffierecht en de proceskosten moesten vergoeden. Tevens werden zij veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding aan belanghebbende.