Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), de minister.
Inleiding
- [adres 1] (toestandspeildatum 01-01-2021) € 177.000
- [adres 2] (toestandspeildatum 01-01-2021) € 343.000
- [adres 3] (waardepeildatum 01-01-2020) € 211.000
- [adres 4] (toestandspeildatum 01-01-2021) € 724.000
- [adres 5] (waardepeildatum 01-01-2020) € 222.000
- [adres 6] (waardepeildatum 01-01-2020) € 475.000
- [adres 7] (toestandspeildatum 01-01-2021) € 247.000
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover deze ziet op [adres 4] te [plaats] ;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van [adres 4] te [plaats] voor het belastingjaar 2020 tot € 687.800 en vermindert de aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar de helft van het griffierecht zijnde € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- bepaalt dat de minister de helft van het griffierecht, zijnde € 182,50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 984,37 aan proceskosten aan belanghebbende.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 984,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 80;
- veroordeelt de minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 20.