ECLI:NL:RBZWB:2024:2786

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
BRE 22/4583
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening parkeerbelastingArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Tilburg

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €43,60 wegens het parkeren zonder betaling op een parkeerplaats aan een adres in Tilburg. Na het niet voldoen van deze aanslag binnen de betalingstermijn, werden aanmaningskosten toegevoegd, waardoor het totaalbedrag op €51,60 kwam.

Belanghebbende voerde aan dat het niet duidelijk was dat er parkeerbelasting betaald moest worden omdat hij en zijn medepassagiers geen borden hadden gezien die dit kenbaar maakten. Tevens verzocht hij om vernietiging van de aanslag vanwege problematische schulden.

De heffingsambtenaar stelde dat de parkeerzone duidelijk was aangegeven met borden aan de randen van de zone en parkeerautomaten langs de weg. De rechtbank oordeelde dat de kenbaarheid van de parkeerbelasting voldoende was en dat belanghebbende een onderzoeksplicht had om zich te vergewissen van de aanwezigheid van parkeerapparatuur. De rechtbank wees het verzoek tot vernietiging van de aanslag wegens schulden af, omdat parkeerbelasting een objectieve belasting is waarbij persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking worden genomen.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4583
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1] , belanghebbende
(Gemachtigde: Bewindvoerder van [belanghebbende] )
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 september 2022
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

2.Feiten

2.1.
Op 25 juli 2022 omstreeks 16:16 uur stond de auto van belanghebbende geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] te [plaats 2] . Door een scanauto werd geconstateerd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan door belanghebbende. Daaropvolgend heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting ter hoogte van € 43,60 opgelegd aan de belanghebbende.
2.2.
Aangezien belanghebbende niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft betaald, heeft de heffingsambtenaar een aanmaning verstuurd, waarvoor € 8,- aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Hiermee is het totaal verschuldigde bedrag op € 51,60 vastgesteld.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die belanghebbende heeft aangevoerd.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag parkeerbelastingen terecht opgelegd aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat voor gevolgen dit heeft.
Standpunt van belanghebbende
3.3.
Belanghebbende voert, voor zover relevant, aan dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. Voor zowel hemzelf als zijn medepassagiers werd het op locatie niet duidelijk dat er op de desbetreffende locatie parkeerbelasting betaald diende te worden. Belanghebbende en zijn medepassagiers hebben op meerdere momenten, voorafgaand en na het stilzetten van de auto, gecontroleerd of er borden stonden die kenbaar maakte dat er tegen betaling geparkeerd mag worden. Belanghebbende en zijn medepassagiers hebben dergelijke borden niet zien staan dan wel over het hoofd gezien.
Tot slot verzoekt belanghebbende de rechtbank om de naheffingsaanslag te vernietigen in verband met problematische schulden.
Standpunt van heffingsambtenaar
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hij voert aan dat de [adres] is aangewezen als locatie waar alleen tegen betaling geparkeerd mag worden. De betaalde parkeerzone is te herkennen aan verkeersborden aan de randen van de parkeerzone. Bovendien staan er parkeerautomaten langs de weg. Volgens de heffingsambtenaar heeft de gemeente Tilburg daarmee voldoende zorg besteed aan het plaatsen van heldere parkeeraanwijzingen en komt het over het hoofd zien van de borden voor rekening en risico van belanghebbende.
Toetsingskader van de rechtbank
3.5.
Volgens de wet wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. [1]
Beoordeling door de rechtbank
3.6.
Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats (de kenbaarheid). De rechtbank acht het, niet weersproken verweer van de heffingsambtenaar aannemelijk dat aan de randen van de parkeerzone borden staan en dat langs de desbetreffende straat parkeerautomaten zijn geplaatst.
3.7.
Verder blijkt uit de rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht. [2] Van belanghebbende mag worden verwacht dat hij oplet of hij bebording of een parkeerautomaat passeert en dat hij – nadat hij zijn auto heeft geparkeerd – zich enige inspanning getroost, zoals het maken van een korte wandeling rondom zijn parkeerplek, om na te gaan of er in de buurt een parkeerautomaat is geplaatst die zich buiten zijn directe gezichtsveld bevindt. [3] De door belanghebbende gestelde inspanning is niet adequaat geweest, nu hij heeft gemist dat hij met de door hem bestuurde auto in een parkeerzone bevond en dat langs de [adres] parkeerautomaten waren geplaatst. Belanghebbende heeft naar eigen zeggen aldaar zijn auto in een parkeervak geparkeerd en erkend dat hij daarvoor geen parkeerbelasting heeft betaald. De gestelde veronderstelling dat hij niet hoefde te betalen komt voor zijn rekening en risico.
3.8.
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om de naheffingsaanslag te vernietigen in verband met problematische schulden. De rechtbank kan de naheffingsaanslag niet vernietigen, aangezien parkeerbelasting kan worden aangemerkt als een objectieve belasting. Bij objectieve belastingen is er geen ruimte voor de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende of om uit coulance de naheffingsaanslag te vernietigen. Wel kan belanghebbende verzoeken om betalingsregeling met de heffingsambtenaar.
3.9.
Uit het voorgaande blijkt dat belanghebbende geparkeerd stond aan de [adres] in [plaats 2] en daarmee op die locatie parkeerbelasting verschuldigd was. Nu is vastgesteld dat belanghebbende heeft geparkeerd zonder de parkeerbelasting te voldoen, heeft de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag opgelegd. Het verzoek van belanghebbende om de naheffingsaanslag te vernietigen in verband met problematische schulden kan niet door de rechtbank worden gehonoreerd.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van R.P.H. Bukkems, griffier, op 30 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hoger beroep moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van Gerechtshof ’s-Gravenhage, 9 november 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:59 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 4 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5912.
3.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:448