Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
de heffingsambtenaar
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €68,90 opgelegd door de gemeente Veere omdat zijn auto zonder betaling van parkeerbelasting was geparkeerd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank onderzocht of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en of de hoorplicht door de heffingsambtenaar was geschonden. Belanghebbende stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om gehoord te worden, ondanks zijn verzoek daartoe. De heffingsambtenaar toonde aan dat meerdere uitnodigingen voor telefonische hoorzittingen waren gedaan, waarbij belanghebbendes gemachtigde niet op de verzoeken inging.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inspanningen had verricht om belanghebbende te horen, waardoor geen schending van de hoorplicht was. Omdat belanghebbende geen inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag aanvoerde, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard wegens geen schending van de hoorplicht.