Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op 7 oktober 2021 in Tilburg. Betrokkene voerde aan dat hij slechts kort een klant had afgezet die slecht ter been was en binnen drie minuten terug was, en dat hij dacht dat taxi's daar even stil mochten staan.
De officier van justitie stelde dat de boete terecht was opgelegd omdat er geen activiteiten rond het voertuig werden waargenomen gedurende tien minuten en betrokkene dit niet onderbouwde. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond en de boete terecht was opgelegd, maar dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet te horen, wat leidt tot vernietiging van de beslissing op het administratief beroep.
Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde. Hierdoor matigde de kantonrechter de boete met 50% tot €155 plus €9 administratiekosten, waarbij ook het te veel betaalde bedrag van €70 aan betrokkene moet worden terugbetaald.
De beslissing werd op 18 maart 2024 uitgesproken door kantonrechter R.J.H. de Brouwer, waarbij betrokkene niet aanwezig was. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie werd gegrond verklaard en de boete gedeeltelijk gematigd.
Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €155 plus €9 administratiekosten vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.