Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het rijden op het voetpad op 25 september 2021 in Tilburg. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat de boa niet bevoegd was en dat de wegindeling onvoldoende duidelijk was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de bevoegdheid van de verbalisant niet ter discussie stond, gelet op vaste rechtspraak. Uit het dossier, waaronder verklaringen en schouwrapporten, bleek dat de gedraging vaststond en de bebording voldoende was. De boete was daarom terecht opgelegd.
Echter werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting met vijf maanden was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kantonrechterfase. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: De boete voor rijden op het voetpad is gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en de officier van justitie moet proceskosten vergoeden.