Belanghebbende is eigenaar van een zonne-energie-installatie (PV-installatie) geplaatst op het dak van een distributiecentrum. De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg stelde de WOZ-waarde van deze installatie vast op €847.000 per 1 januari 2021 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardering en stelde dat de gehele PV-installatie onder de werktuigenvrijstelling valt, waardoor de waarde lager zou moeten zijn.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hoewel de omvormers, bekabeling en meet- en regelapparatuur onder de werktuigenvrijstelling vallen, geldt dit niet voor de gehele installatie. De rechtbank volgt de uitleg van de Waarderingskamer dat vijf cumulatieve criteria gelden voor de werktuigenvrijstelling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de PV-installatie een op zichzelf gebouwd eigendom is en of de uiterlijke herkenbaarheid na verwijdering behouden blijft.
De rechtbank stelt vast dat de PV-installatie geen op zichzelf gebouwd eigendom is, omdat deze bij afbraak van het gebouw verdwijnt. Echter, de uiterlijke herkenbaarheid van de installatie gaat verloren na verwijdering van de zonnepanelen, waardoor niet aan het vijfde criterium wordt voldaan. De heffingsambtenaar heeft de waarde daarom terecht deels als werktuig aangemerkt. De WOZ-waarde en de aanslag OZB blijven gehandhaafd en het beroep wordt ongegrond verklaard.