ECLI:NL:RBZWB:2024:2888

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
02/003548-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 3a, vijfde lid Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voorbereidingshandelingen invoer cocaïne

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 april 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Verdachte was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De officier van justitie stelde dat het vervoer van cocaïne via koelschepen uit Zuid-Amerika algemeen bekend is en dat de omstandigheden duiden op drugshandel.

De verdediging betoogde dat er geen concreet bewijs is dat verdachte handelingen heeft verricht gericht op de invoer van cocaïne en dat de algemene bekendheid van fruitzendingen met cocaïne onvoldoende is voor een bewezenverklaring. De rechtbank stelde vast dat verdachte en medeverdachten zich op het haventerrein bevonden met duikuitrusting en dat er aanwijzingen waren dat zij goederen uit de wierkast van het koelschip wilden halen.

Echter, ondanks de aanwijzingen voor criminele intentie, ontbrak het aan concreet bewijs dat het bestanddeel cocaïne of een ander middel van lijst I van de Opiumwet betrof. Er werden geen drugs aangetroffen en de omstandigheden waren onvoldoende specifiek. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en gelastte de teruggave van het in beslag genomen telefoontoestel.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan concreet bewijs voor invoer van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/003548-23
vonnis van de meervoudige kamer van 3 mei 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 april 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie
mr. I.M. Peters en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne via koelschepen vanuit Zuid-Amerika wordt vervoerd. Ook de wijze van vervoer, verstopt in de wierkast, is zeer specifiek voor de invoer van cocaïne.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte heeft geen handelingen gepleegd die zien op het voorbereiden en/of bevorderen van het opzettelijk binnen/buiten Nederland brengen van harddrugs. Er kan geen link worden gelegd met een specifieke drugslading. In de tenlastelegging wordt specifiek gesproken over de invoer van cocaïne. Er is hiervoor geen enkele indicatie, met uitzondering van het feit dat zendingen met fruit uit Zuid-Amerika vaker cocaïne bevatten. De rechtspraak maakt heel duidelijk dat dit onvoldoende is om ervan uit te gaan dat ook in deze zaak cocaïne is ingevoerd. Verzocht wordt verdachte vrij te spreken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
Op 24 februari 2021 werd in de Bijleveldhaven in Vlissingen een Yamaha-waterscooter in het water aangetroffen, die achter het [koelschip] dreef. De [koelschip] was met een fruitvracht afkomstig uit Zuid-Amerika. Op de kade lagen een hijstouw en een bahco en later werd nog een tweede duikscooter gevonden op de locatie van de eerste duikscooter. Ook werd een duikhandschoen onder de kade gevonden. Bij de [koelschip] werd vervolgens een geopende wierkast aangetroffen, waarvan later bleek dat het complete luik verdwenen was.
Op 25 februari 2021 rond 20.45 uur was verdachte samen met de medeverdachten op het betreffende haventerrein, terwijl op dat moment een avondklok gold. Er lag duikuitrusting in de auto waarin zij reden, waaronder een zwarte rechterduikhandschoen van het merk Thermocline. Verbalisanten herkenden deze, omdat ze de dag ervoor een soortgelijke linkerhandschoen hadden aangetroffen onder de kade. Verdachten konden geen duidelijk antwoord geven op de vraag waarom zij daar op dat moment waren.
De telefoons van verdachte en [medeverdachte] werden onderzocht. In de telefoon van [medeverdachte] werden diverse afbeeldingen aangetroffen van de haven in Vlissingen, de app Fesselfinder, met daarbij de positie en aankomsttijden van de [koelschip] en afbeeldingen van duikers (de verdachten) in duikpak met Yamaha-duikscooters. Ook op de telefoon van verdachte stonden afbeeldingen van een schip, een persoon in duikpak en eenzelfde Yamaha-duikscooter.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, staat voor de rechtbank vast dat de aangetroffen spullen op 24 februari 2021 aan verdachte en de medeverdachten toebehoorden en dat zij zich op het terrein hebben begeven met een criminele intentie, te weten om goederen uit de wierkast van de [koelschip] te halen.
Voor een bewezenverklaring op basis van artikel 10a Opiumwet moet komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld met de opzet om drugsinvoer voor te bereiden en/of te bevorderen. Uit het dossier blijkt dat het haventerrein in Vlissingen (onder meer) wordt aangedaan door schepen (met fruit) vanuit Zuid-Amerika. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat landen op dat continent bekend staan als grote producenten van cocaïne. Hoewel het onder die omstandigheden meer dan aannemelijk is dat de uit te halen goederen cocaïne betroffen, bevat het dossier daarvoor geen concrete aanknopingspunten.
Er zijn in deze zaak geen drugs aangetroffen. Er zijn ook geen andere concrete feiten en omstandigheden die in verband kunnen worden gebracht met specifiek verdovende middelen. Volgens de huidige rechtspraak zijn de in deze zaak vastgestelde feiten en omstandigheden onvoldoende voor een bewezenverklaring. De omstandigheden die door de officier van justitie zijn aangevoerd zijn daarin onvoldoende onderscheidend.
Het dossier bevat dus geen bewijs voor het bestanddeel ‘cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet’ van de tenlastelegging. Om die reden zal verdachte van het aan hem tenlastegelegde worden vrijgesproken.

5.De overwegingen omtrent het beslag

5.1
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien het voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

6.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een telefoontoestel (omschrijving: G2307717, Zwart, merk: Xiaomi M2007j3sy).
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 mei 2024.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.