ECLI:NL:RBZWB:2024:2891

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
10840646 CV EXPL 23-4204 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 242 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst uitzendkracht en toewijzing factuur met incassokosten

Eiseres heeft een uitzendkracht ter beschikking gesteld aan gedaagde in juli 2022 en factureerde hiervoor een bedrag van € 9.308,48, inclusief een specificatie van de gewerkte uren en toeslagen conform de CAO VVT. Gedaagde betwistte de juistheid van de uren en stuurde een eigen overzicht, maar is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, waardoor hij zijn verweer niet kon toelichten.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres toegelicht dat de uren automatisch zijn geaccordeerd omdat gedaagde deze niet binnen de gestelde termijn heeft beoordeeld. De factuur is derhalve terecht verstuurd en niet betaald. De extra toeslagen zijn onderbouwd aan de hand van de CAO VVT, omdat werkzaamheden ook buiten reguliere werktijden zijn verricht.

De kantonrechter oordeelt dat het verweer van gedaagde onvoldoende is onderbouwd en wijst de vordering tot betaling van de factuur toe, inclusief wettelijke handelsrente vanaf 1 april 2022. Daarnaast wordt een gematigde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.016,91 toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van € 1.571,55 en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 10.325,39 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10840646 \ CV EXPL 23-4204
Vonnis van 24 april 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V. VOORHEEN GENAAMD [bedrijf] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [incassobureau]
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 januari 2024
- de mondelinge behandeling van 28 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] in de periode van 5 tot en met 31 juli 2022 een uitzendkracht ter beschikking gesteld
.Op de overeenkomst zijn de CAO Verzorging, Verpleging en Thuiszorg (hierna: “CAO VVT”) en de Algemene Voorwaarden van toepassing.
2.2.
[eiseres] heeft op 18 maart 2022 een factuur verzonden ten bedrage van
€ 9.308,48, welke factuur onbetaald is gebleven. Bij de factuur is een urenspecificatie bijgevoegd.
2.3.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] is er meerdere malen contact geweest over het aantal door [eiseres] in rekening gebrachte uren.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.088,65, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal het bedrag van de factuur ten bedrage van € 9.308,48 toewijzen en zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.
4.2.
Door [gedaagde] is bij conclusie van antwoord verweer gevoerd. Volgens hem is de factuur niet juist. [gedaagde] heeft een overzicht aan [eiseres] gestuurd met de volgens hem door de uitzendkracht gewerkte uren. Omdat de gefactureerde uren niet juist zijn, moet er een correctie op de factuur plaatsvinden, aldus [gedaagde] .
4.3.
Bij brief van 21 december 2023 is door de griffie van de rechtbank aan [gedaagde] medegedeeld dat er op 10 januari 2024 een vonnis wordt gewezen. Door de griffie is vervolgens 10 januari 2024 een brief verzonden met daarbij gevoegd het vonnis waarin is bepaald dat er mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 28 februari 2024 om 13.30 uur in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10 te Breda. Deze brieven zijn naar hetzelfde adres verstuurd waar de dagvaarding is betekend. Dit adres is door [gedaagde] ook gebruikt in zijn conclusie van antwoord. Toch is aan de zijde van [gedaagde] , hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen op de mondelinge behandeling. [gedaagde] heeft zichzelf de mogelijkheid ontnomen om zijn standpunten nader toe te lichten, om op de (nadere) stellingen van [eiseres] in te gaan en om vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Dit terwijl er in het tussenvonnis van 10 januari 2024 uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een uitgebreide toelichting gegeven op de uren die in rekening zijn gebracht. Met [gedaagde] is een overeenkomst gesloten voor een verplichte afname van minimaal 28 uur per week. Indien er minder uren zijn gewerkt in een bepaalde week, dan wordt er conform de overeenkomst 28 uur in rekening gebracht. De uren zijn gefactureerd op basis van de uren die de uitzendkracht in een portal heeft ingevuld. [gedaagde] ontvangt na het invullen in de portal een melding op zijn e-mailadres en kan de uren controleren. Wanneer de ingevoerde uren niet binnen vijf kalenderdagen zijn beoordeeld worden de uren automatisch geaccordeerd en volgt er een factuur. Als er ná die periode bezwaar wordt gemaakt, moet de factuur betaald worden en volgt er – bij een terecht bezwaar – een creditnota. [gedaagde] heeft de uren niet binnen de termijn beoordeeld, zodat de uren automatisch zijn geaccordeerd en een factuur is opgemaakt. Die factuur is niet binnen de termijn betaald, zodat [gedaagde] een bedrag van € 9.308,48 aan hoofdsom is verschuldigd. [gedaagde] heeft na die vijf dagen bezwaar gemaakt, maar heeft niet gemotiveerd onderbouwd wat er niet juist zou zijn aan de uren, zodat [eiseres] niet tot creditering is overgegaan. Daarnaast heeft [eiseres] het aantal uren nader onderbouwd door middel van de factuur die de uitzendkracht bij [eiseres] heeft ingediend, met daarbij een specificatie van de datum, welk dagdeel (ochtend, middag, avond) en het aantal uur op die dag.
4.5.
Ook is door [eiseres] een nadere toelichting gegeven op de specificatie bij de factuur. Uit de CAO VVT volgt dat naast het reguliere salaris ook een extra toeslag op het uurloon kan worden berekend. Die toeslag is afhankelijk van het tijdstip waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd (bijvoorbeeld uren in de avonden en weekenden). Omdat de uitzendkracht ook buiten de reguliere werktijden werkzaamheden heeft verricht, zijn
– overeenkomstig de CAO – daarmee de in rekening gebrachte percentages (22%, 38% en 44%) van de onregelmatigheidstoeslag onderbouwd.
4.6.
Deze niet weersproken (nadere) stellingen van [eiseres] weerleggen het verweer van [gedaagde] voldoende. Bovendien kunnen die stellingen de vordering dragen. Daarmee is de vordering tot betaling van de factuur toewijsbaar. De wettelijke handelsrente is wegens betalingsverzuim eveneens toewijsbaar.
4.7.
[eiseres] heeft een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Deze vordering komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In dit geval acht de kantonrechter echter redenen aanwezig om de vergoeding op grond van artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen tot het bedrag, berekend op grond van de bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten horende staffel, nu niet is gesteld en onderbouwd dat er zodanige buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een hoger bedrag dan de staffel rechtvaardigen. De kantonrechter zal dan ook een bedrag van € 1.016,91 toewijzen als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
9.308,48
- buitengerechtelijke incassokosten
1.016,91
+
totaal
10.325,39
- betalingen
0,00
-/-
Totaal
10.325,39
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
110,55
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2,00 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.571,55

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 10.325,39, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW hierover, met ingang van 1 april 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.571,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024.