Werknemer is sinds 2010 in dienst bij de werkgever en heeft van 2010 tot en met 2022 jaarlijks in december een bonus ontvangen gelijk aan een halve dertiende maand salaris. Vanaf 2020 is in een functioneringsgesprek afgesproken dat de bonus afhankelijk is van de persoonlijke beoordeling en het bedrijfsresultaat. In 2023 is vanwege het negatieve bedrijfsresultaat besloten geen bonus uit te keren.
Werknemer vordert in kort geding betaling van de bonus over 2023, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Hij stelt dat hij recht heeft op de bonus omdat er geen overeenstemming is bereikt over de bonusvoorwaarden, dat het een verworven recht is, en dat de werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld. De werkgever betwist dit en voert aan dat de bonus afhankelijk is van het bedrijfsresultaat en persoonlijke beoordeling, en dat er geen sprake is van een verworven recht.
De rechtbank oordeelt dat in kort geding een spoedeisend belang vereist is. Hoewel loonvorderingen doorgaans spoedeisend zijn, is in deze zaak onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer de bonus nodig heeft voor zijn levensonderhoud. Het enkel rekenen op de bonus voor een kerstuitgave is onvoldoende. Ook is niet gebleken dat werknemer de bodemprocedure niet kan afwachten. Daarom wordt de vordering afgewezen.
Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door rechter Van den Heuvel en op 1 mei 2024 openbaar uitgesproken.