Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De overwegingen omtrent het beslag
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 april 2024 een zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Verdachte was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw. De officier van justitie stelde dat de specifieke wijze van vervoer en de context voldoende bewijs vormden, terwijl de verdediging betoogde dat er geen concreet bewijs was voor het bestanddeel cocaïne.
Uit het dossier bleek dat op 24 februari 2021 in de Bijleveldhaven te Vlissingen een waterscooter en duikuitrusting werden aangetroffen nabij een koelschip uit Zuid-Amerika. Verdachte en medeverdachten bevonden zich op het terrein met duikuitrusting en konden geen verklaring geven voor hun aanwezigheid. Telefoononderzoek toonde afbeeldingen van het haventerrein, duikers en het koelschip.
Hoewel het aannemelijk was dat de goederen cocaïne betroffen, ontbrak het aan concrete aanwijzingen of vondsten van drugs. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden onvoldoende waren om het bestanddeel cocaïne wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en gelastte de teruggave van inbeslaggenomen telefoons en een navigatiesysteem.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor het bestanddeel cocaïne.