In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van een bedrag van €4.847,00 vermeerderd met incassokosten en rente, stellende dat een geldleningsovereenkomst met gedaagde is gesloten. Gedaagde betwist dit en stelt dat de lening door de bestuurder van eiser privé is verstrekt, niet door eiser zelf.
De rechtbank beoordeelt of tussen eiser en gedaagde een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Hoewel het bedrag door eiser op de rekening van de Belastingdienst is overgemaakt, ontbreekt bewijs dat gedaagde hiermee heeft ingestemd. Er is geen schriftelijke overeenkomst of schuldbekentenis, en de stellingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat de vordering faalt en wijst deze af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl gedaagde op basis van toevoeging heeft geprocedeerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.