Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €481.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar bood in de beroepsfase een compromis aan van €461.000, maar belanghebbende vond dit nog te hoog en stelde een waarde van maximaal €400.000.
De rechtbank beoordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, omdat de toegepaste correctie van 16% voor het funderingsprobleem niet was onderbouwd. Belanghebbende kon zijn lagere waarde niet aannemelijk maken, omdat hij geen taxatierapport had overlegd en slechts een e-mail met kostenraming van een bouwbedrijf had ingediend.
De rechtbank stelde daarom de waarde van de woning schattenderwijs vast op €425.000. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed.