Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser diende op 1 juli 2022 een aanvraag in voor het bouwen van een schuur op een perceel zonder bouwvlak, waarvoor het college op 8 november 2022 een omgevingsvergunning verleende met de voorwaarde dat bestaande bebouwing gesloopt moest worden voordat de vergunning kon worden benut. Eiser maakte bezwaar tegen deze voorwaarde, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 28 maart 2024.
De rechtbank oordeelt dat het college op grond van het overgangsrecht een omgevingsvergunning kon verlenen voor een maximale bebouwing van 110 m2, gebaseerd op twee oudere schuren waarvoor vergunningen waren verleend. De derde schuur, waarvoor geen vergunning was, werd door het college ten onrechte betrokken in de voorwaardelijke sloopverplichting. De rechtbank stelt dat handhaving tegen deze derde schuur losstaat van de vergunning en niet via een voorwaarde kan worden afgedwongen.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De voorwaarde dat de bestaande bebouwing gesloopt moet worden vervalt, zodat eiser de nieuwe schuur kan bouwen zonder de derde schuur te slopen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De voorwaarde dat bestaande bebouwing gesloopt moet worden vervalt, zodat eiser de schuur mag bouwen zonder sloopverplichting.