Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 12 oktober 2022 werd in Breda een scooter gestolen onder bedreiging met een mes. De minderjarige verdachte werd samen met anderen verdacht van betrokkenheid bij deze diefstal met geweld en subsidiair heling van de scooter.
Tijdens de zitting op 23 april 2024 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. Beide partijen erkenden dat er onvoldoende bewijs was om tot een bewezenverklaring te komen. De aangever verklaarde verdachte met een mes te hebben gezien, maar deze verklaring werd niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De verdachte verklaarde niet te weten dat de scooter gestolen was en had geen contact met de aangever. De politie hield verdachte en een medeverdachte staande kort na de diefstal, maar dit was onvoldoende om schuld vast te stellen.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en sprak verdachte vrij van zowel het primaire als het subsidiaire ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld en heling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.