ECLI:NL:RBZWB:2024:2990

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
02/088335-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 36e SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na hennepkwekerij

Betrokkene is veroordeeld voor het telen van hennep in strijd met de Opiumwet in de periode van 9 september 2019 tot 11 augustus 2022. De rechtbank heeft een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, en daarnaast de vordering van Enexis Beheer B.V. tot schadevergoeding toegewezen.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €114.300,72, gebaseerd op negen oogsten met een opbrengst van €12.700,08 per oogst na aftrek van kosten. De verdediging stelde dat het voordeel nihil was en dat kosten van Eneco in mindering moesten worden gebracht.

De rechtbank stelde vast dat de kosten direct gerelateerd aan het delict €1.072,80 bedroegen en dat het verweer onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank wees het verzoek tot aftrek van Eneco-kosten af vanwege gebrek aan bewijs. Op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder het rapport van de politie en het eindvonnis, werd het voordeel vastgesteld op €114.300,72.

De rechtbank legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de gijzelingstermijn bij niet-betaling op 1080 dagen. Er werd geen draagkrachtverweer gevoerd en er waren geen omstandigheden die tot verlaging van het bedrag leidden.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €114.300,72 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/088335-23 (
ontneming)
vonnis van de rechtbank van 7 mei 2024
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene]
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1.De procedure

Betrokkene is op 7 mei 2024 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder meer veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het telen van hennep), in de periode van 9 september 2019 tot 11 augustus 2022, tot een taakstraf van honderdtwintig uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaar. Bij dit vonnis is de vordering van benadeelde partij Enexis Beheer B.V. toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) tot een totaalbedrag van € 12.457,49.
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 april 2023 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 114.300,72 gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2024, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene
heeft verkregen door middel van het strafbare feit waarvoor zij is veroordeeld, kan worden geschat op een bedrag van € 114.300,72. Zij vordert dat aan betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dat geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag is gebaseerd op het berekende voordeel in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij
ex art 36e 2e lid Sr’ van de politie. Daarbij is uitgegaan van negen oogsten en een opbrengst van € 12.700,08 per oogst, na aftrek van kosten.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil vast te stellen. Betrokkene heeft eenmalig € 800,- gekregen voor de eerste oogst en de kosten zijn hoger dan de opbrengst. Subsidiair heeft zij gesteld dat de kosten van Eneco in mindering moeten worden gebracht.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
Schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:
- aannemelijk is geworden dat betrokkene op 9 september 2019 een kwekerij is begonnen met 120 hennepplanten;
- aannemelijk is geworden dat betrokkene in totaal negen maal heeft geoogst.
Naar het oordeel van de rechtbank is vastgesteld dat:
- in de hennepkwekerij van betrokkene 15 planten stonden per m²;
- bij dat vastgestelde aantal planten per m² de opbrengst, zo blijkt uit rapport van het BOOM, 28,2 gram per plant is;
- bij de hennepkwekerij, zoals die bij betrokkene werd aangetroffen, de opbrengst per plant gemiddeld (28,2 gram per plant x € 4,07 per gram) € 114,77 bedraagt.
Op grond hiervan bedraagt de totale opbrengst van de hennepkwekerij van betrokkene € 13.772,88.
De kosten die hierop in mindering moeten worden gebracht bedragen in totaal € 1.072,80 en bestaan uit:
* de afschrijvingskosten, vastgesteld op € 150,- per oogst;
* de hennepstekken, geschat op € 3,81 per plant, in totaal € 457,20;
* de variabele kosten (kweekmedium, water, voedingsstoffen etc), geschat op € 3,88 per plant, in totaal € 465,60.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 114.300,72.
Het verweer namens betrokkene dat het genoten voordeel van de opgezette hennepkwekerij veel lager is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden.
Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de rechter kosten in mindering brengen op de opbrengst, indien de kosten in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Door betrokkene is onvoldoende onderbouwd dat zij de rekening van Eneco al heeft betaald, zodat de rechtbank deze niet in mindering zal brengen.
De rechtbank grondt dit oordeel op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
- het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij
ex art 36e 2e lid Sr’ (met bijlage) van de politie van 17 augustus 2022, pagina’s 69 tot en met 76 van het eindproces-verbaal.
- de bewijsmiddelen ter zake van de bewezen verklaarde delicten in de strafzaak, zoals genoemd in het eindvonnis van deze rechtbank van 7 mei 2024.
4.2
Vaststelling betalingsverplichting
Door de verdediging is geen draagkrachtverweer gevoerd. De rechtbank ziet verder ook geen omstandigheden op basis waarvan het vast te stellen ontnemingsbedrag lager zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank aan betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van een bedrag van € 114.300,72 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 114.300,72(zegge: honderdveertienduizend driehonderd euro en tweeënzeventig eurocent);
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 114.300,72(zegge: honderdveertienduizend driehonderd euro en tweeënzeventig eurocent), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet-betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. M.M. Veldhuizen en
mr. J.C.A.M. Los, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.W. Schalk en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2024.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid het vonnis mede te ondertekenen.