ECLI:NL:RBZWB:2024:3009

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
BRE 23/9113
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering premie-inkomen door aftrek eigenwoningregeling in IB/PVV 2020

Belanghebbende, woonachtig in België, was in 2020 premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen en ontving looninkomsten uit Nederland en een SVB-uitkering uit België. De inspecteur legde een aanslag IB/PVV 2020 op zonder aftrek van de eigenwoningregeling bij het premie-inkomen, wat tot een te hoog vastgesteld premie-inkomen leidde.

Tijdens de beroepsprocedure overwoog de rechtbank dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt recht te hebben op een aftrekpost eigenwoningregeling van €7.660, gebaseerd op hypotheekrente en eigenwoningforfait. De inspecteur had dit bedrag niet volledig erkend, maar de rechtbank volgde het standpunt van belanghebbende.

De rechtbank oordeelde dat het premie-inkomen dienovereenkomstig moest worden verminderd tot €19.096 en dat de belastingrente ook verminderd moest worden. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur werd vernietigd voor zover deze het premie-inkomen betrof. De inspecteur moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Andere aanslagonderdelen blijven ongewijzigd.

Uitkomst: De rechtbank vermindert het premie-inkomen en belastingrente van de aanslag IB/PVV 2020 vanwege recht op aftrek eigenwoningregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9113

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. De inspecteur heeft daarbij tevens belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 niet naar een te hoog bedrag heeft opgelegd. De hoogte van het verzamelinkomen voor wat betreft het inkomstenbelastingdeel van de aanslag is tussen partijen niet meer in geschil. Het gaat uitsluitend nog om de vraag of belanghebbende voor wat betreft het premiedeel van de aanslag bij de vaststelling van het premie-inkomen recht heeft op een aftrekpost eigenwoningregeling.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat, overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur, de aanslag moet worden verminderd, omdat belanghebbende recht heeft op een vermindering van het premie-inkomen in verband met de eigenwoningregeling. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende woonde in het jaar 2020 in België. Belanghebbende heeft de volledige eigendom van een woning waar hypothecaire geldleningen op rusten. Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.500.
3.1.
Belanghebbende heeft vanuit Nederland looninkomsten (€ 12.343) en een SVB-uitkering (€ 14.413) ontvangen. De looninkomsten worden in Nederland in de heffing betrokken, de SVB-uitkering in België.
3.2.
Niet in geschil is dat belanghebbende moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige voor de inkomstenbelasting en dat zij het gehele jaar in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
3.3.
In de aangifte IB/PVV 2020 is een aftrekpost eigenwoningregeling van € 8.126 [1] vermeld. De inspecteur heeft de aftrek in verband met de eigenwoningregeling niet toegestaan en het belastbaar inkomen uit werk en woning alsmede het premie-inkomen vastgesteld op € 26.756, zijnde de looninkomsten en de SVB-uitkering. Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023 heeft de inspecteur voor de heffing van de inkomstenbelasting de SVB-uitkering niet langer tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. De aanslag is in verband daarmee verlaagd.
3.4.
In de beroepsfase heeft belanghebbende stukken overgelegd ter onderbouwing van de in de aangifte in aftrek genomen hypotheekrente. In de stukken zijn de volgende rentebedragen vermeld:
Lening nummer
Schuld ultimo 2020
Rentebedrag
[leningnummer 1]
€ 199.500,00
€ 7.245,47
[leningnummer 2]
€ 30.640,10
€ 1.057,73
[leningnummer 3]
€ 7.076,86
€ 256,19
onbekend
€ 17.374,60
€ 599,84

Motivering

Vooraf: verzoek herziening aanslagen IB/PVV over de jaren 2015, 2016 en 2017
4. Belanghebbende heeft in de beroepsprocedure verzocht om de aanslagen IB/PVV over de jaren 2015, 2016 en 2017 te herzien, omdat volgens haar ook in die jaren (bij de vaststelling van het premie-inkomen) ten onrechte geen rekening is gehouden met de aftrekpost eigenwoningregeling. Zoals ter zitting is besproken kan de rechtbank alleen een inhoudelijk oordeel geven over de aanslag IB/PVV 2020, dat is namelijk de aanslag die in deze procedure voorligt. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak geen oordeel geeft over andere aanslagen.
De aanslag IB/PVV 2020
4.1.
Belanghebbende is premieplichtig voor de volksverzekeringen. Tussen partijen is niet in geschil dat bij het bepalen van het premie-inkomen de ten behoeve van de eigen woning betaalde rente in beginsel in aftrek kan worden gebracht. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op deze aftrek.
4.2.
De rechtbank is het met de inspecteur eens dat belanghebbende met de in de beroepsfase overgelegde stukken (zie 3.4) aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven in verband met de eigenwoningregeling € 8.559,39 [2] bedragen. De inspecteur heeft ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat volgens hem het rentebedrag van € 599,84 betrekking heeft op de hypothecaire lening met [leningnummer 2] en dat het totale bedrag aan betaalde hypotheekrente voor die lening € 1.657,57 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Dat betekent dat belanghebbende recht heeft op een aftrekpost in verband met de eigenwoningregeling van € 7.659,23, afgerond € 7.660. [3] Voor het meerdere heeft belanghebbende geen bewijs geleverd.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het premie-inkomen moet worden verminderd tot € 19.096. [4] De in rekening gebrachte belastingrente dient overeenkomstig te worden verminderd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat de inspecteur het premie-inkomen op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert het premie-inkomen tot een bedrag van € 19.096. De beschikking belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die ziet op het premie-inkomen;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 voor wat betreft het premie-inkomen tot een bedrag van € 19.096 en handhaaft de overige elementen van de aanslag, zoals die luiden na de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 7 mei 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk geworden als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.= eigenwoningforfait € 1.500 minus hypotheekrente € 9.626.
2.= € 7.245,47 + € 1.057,73 + € 256,19.
3.= eigenwoningforfait € 1.500 minus hypotheekrente € 8.559,39 + € 599,84.
4.= loonkomsten plus SVB-uitkering € 26.756 minus het saldo aan inkomsten en uitgaven eigenwoningregeling € 7.660.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.