Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het parkeren van een voertuig op 9 november 2021 om 11:24 uur op de Spuistraat te Breda, binnen een parkeerverbodszone zonder parkeervak. Betrokkene voerde aan dat de gemeente jarenlang geen parkeerstrepen had aangebracht en dat er sprake was van een gedoogbeleid, waardoor handhaving zonder waarschuwing onredelijk was. De officier van justitie stelde dat er wel een waarschuwingsperiode van vier weken was geweest, waarin betrokkene een waarschuwing had ontvangen, en dat de boete terecht was opgelegd.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststond en dat betrokkene niet op de plek had mogen parkeren. Wel achtte de kantonrechter de boete terecht, maar matigde deze tot nihil vanwege het langdurige gedoogbeleid en het feit dat pas na afloop van de waarschuwingsperiode en na oplegging van de boete parkeervakken waren aangebracht. Tevens was betrokkene niet gewezen op het recht om gehoord te worden, wat een schending van de hoorplicht betekende.
De beslissing van de officier van justitie werd daarom gewijzigd, de boete gematigd tot nihil en het reeds betaalde bedrag van €109,- werd terugbetaald. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete wegens parkeren buiten een parkeervak werd gematigd tot nihil en het betaalde bedrag terugbetaald.