Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het rijden met 8 km/u te hard binnen de bebouwde kom te Breda op 12 november 2022. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, maar dit beroep werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken.
Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de kantonrechter. Tijdens de eerste zitting verscheen betrokkene niet, maar betaalde later alsnog de zekerheid. Op de zitting van 4 april 2024 was betrokkene wederom afwezig. De kantonrechter oordeelde dat betrokkene geen geldige reden had gegeven voor de te late indiening van het beroep bij de officier van justitie.
De kantonrechter overwoog dat op grond van artikel 6:7 Awb Pro het beroep binnen zes weken had moeten worden ingesteld, wat niet was gebeurd. Omdat betrokkene geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt, werd het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. Hierdoor werd niet inhoudelijk op de boete zelf beslist.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard vanwege het te laat instellen zonder geldige reden.