ECLI:NL:RBZWB:2024:3074

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
10 mei 2024
Zaaknummer
10719114 \ MB VERZ 23-474
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 8 Wahv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verkeersboete afslaan zonder richting aangeven

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het afslaan zonder het geven van richting aan te geven op de Gravenstraat te Breda op 3 juni 2023 om 00:20 uur. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat het voertuig ten tijde van de overtreding was verhuurd en dat de boete ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder was opgelegd. Ook werd betoogd dat het pleegtijdstip mogelijk onjuist was genoteerd en dat de geboortedatum van de huurder niet vereist is voor de afhandeling.

De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant voldoende blijkt dat de overtreding heeft plaatsgevonden en dat de tijdstippen juist zijn vastgesteld. Betrokkene kon niet aantonen dat het voertuig bedrijfsmatig was verhuurd op het moment van de overtreding, noch wie de bestuurder was. De verhuurovereenkomst die werd overgelegd kwam niet overeen met het tijdstip van de overtreding.

Daarom is de boete terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd en is het beroep ongegrond verklaard. Tevens is het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10719114 \ MB VERZ 23-474
CJIB-nummer : 7062 5422 5838 1709
uitspraakdatum : 4 april 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
[adres]
[woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 april 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. C.M. Oostdam (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: afslaan zonder richting aan te geven (met de arm of richtingaanwijzer) op de Gravenstraat te Breda op 3 juni 2023 om 00:20 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Gemachtigde stelt dat het voertuig ten tijde van de gedraging was verhuurd. Zonder reservering staat het voertuig op slot en kan het niet worden gebruikt. Vermoedelijk heeft de verbalisant het verkeerde pleegtijdstip genoteerd, waardoor het pleegtijdstip niet overeenkomt met het exacte tijdstip. Betrokkene heeft als verhuurder de gegevens opgestuurd van de huurder die het dichtst bij het pleegtijdstip huurder was. Voorts voert gemachtigde aan dat het gerechtshof geen vereiste stelt aan het aanleveren van de geboortedatum van de huurder. Gemachtigde verzoekt de beschikking te vernietigen en deze opnieuw op te leggen aan de betreffende huurder. Tot slot verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op het moment van de gedraging was er geen sprake van een verhuurperiode. Het is dus ook niet vast te stellen wie ten tijde van de constatering van de gedraging, de gedraging heeft verricht. Hierdoor kan gemachtigde geen beroep doen op artikel 8 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Overwegingen

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. En dus ook niet aan de tijdstippen die de verbalisant heeft geconstateerd.
Op grond van artikel 5 Wahv Pro wordt, als niet direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, de boete opgelegd aan de kentekenhouder.
Ingevolge artikel 8 Wahv Pro is dat alleen dan anders indien de kentekenhouder
( a) niet heeft kunnen voorkomen dat een ander van het voertuig gebruik heeft gemaakt of
( b) een schriftelijke bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst van ten hoogste drie maanden met betrekking tot het voertuig overlegt of
( c) ten tijde van de gedraging niet meer de eigenaar van het voertuig was.
Betrokkene stelt dat het voertuig was verhuurd ten tijde van de gedraging. De kantonrechter begrijpt dat betrokkene hiermee een beroep doet op de uitzondering onder b (bedrijfsmatige verhuur). Betrokkene heeft die stelling echter onvoldoende met bewijzen onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat die uitzondering zich heeft voorgedaan. Gemachtigde heeft een verhuurovereenkomst overlegd, maar het is voor de kantonrechter onduidelijk wie de bestuurder was ten tijde van de gedraging. De verhuurovereenkomst die gemachtigde heeft overgelegd komt niet overeen met het tijdstip van de geconstateerde gedraging. Het beroep daarop wordt dan ook verworpen.
De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2024.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: