Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het onnodig rijden op de linkerbaan op een weg in Breda. Tegen deze boete werd beroep ingesteld, eerst bij de officier van justitie en vervolgens bij de kantonrechter. Betrokkene en haar gemachtigde ontkenden de boete en voerden aan dat er geen mogelijkheid was om op de rechterrijstrook te rijden en dat de lengte van het wegdeel en het tijdstip in het proces-verbaal niet klopten.
De officier van justitie stelde dat de verbalisant ten tijde van de constatering in een privéauto zonder stopmiddelen reed, waardoor er geen reële mogelijkheid was om betrokkene staande te houden. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de gedraging heeft plaatsgevonden en dat er geen reden is om aan die verklaring te twijfelen.
Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding betekent dat de boete terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. De kantonrechter wees het beroep af en zag geen reden om de boete te matigen of proceskosten toe te kennen. De uitspraak werd op 4 april 2024 in Breda gedaan.