Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
primair
4.De beoordeling
Wederzijdse dwaling?
Onvoorziene omstandigheden?
Proceskosten
5.De beslissing
1 mei 2024.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Werknemer en werkgever sloten op 30 september 2021 een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarbij werknemer zich volledig op zijn eigen onderneming kon richten. Kort na het sluiten van deze overeenkomst werd bij werknemer longkanker vastgesteld. Werknemer vorderde vernietiging van de overeenkomst wegens wederzijdse dwaling en subsidiair ontbinding wegens onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat bij het sluiten van de overeenkomst beide partijen uitgingen van de gezondheid van werknemer, terwijl werknemer toen al ernstig ziek was. Dit vormt een wederzijdse dwaling. Echter, de werkgever hoefde niet te begrijpen dat werknemer de overeenkomst niet had gesloten bij juiste kennis van de ziekte, omdat werknemer al langere tijd aangaf een eigen onderneming te willen starten.
De rechtbank oordeelt dat de dwaling, gelet op de omstandigheden, voor rekening van werknemer komt. Factoren daarbij zijn onder meer het initiatief van beide partijen tot beëindiging, het advies dat werknemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst inwonnen, en het feit dat werknemer geen aanvullende pensioenvoorziening trof. Het beroep op onvoorziene omstandigheden wordt eveneens verworpen.
De vorderingen worden afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank ziet geen reden om aan de niet-naleving van de waarheidsplicht door werknemer rechtsgevolgen te verbinden, omdat de werkgever daardoor niet is geschaad.
Uitkomst: De vorderingen tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst worden afgewezen en werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.