De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 april 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het samen met een ander uitvoeren van 4,88 kilogram cocaïne in een verborgen ruimte van een voertuig. Verdachte ontkende wetenschap te hebben van de verborgen ruimte en de daarin aangetroffen cocaïne.
Tijdens de zitting was verdachte niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn raadsman. Zowel de officier van justitie als de verdediging bepleitten vrijspraak wegens gebrek aan bewijs dat verdachte wetenschap had van de cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat er geen objectieve bewijsmiddelen waren die konden aantonen dat verdachte op de hoogte was van de verborgen ruimte en de drugs. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Tevens werd de teruggave gelast van twee in beslag genomen mobiele telefoons die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.