Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een gezamenlijk verzoek van een vrouw en een man tot vaststelling van gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2022. De vrouw oefende reeds eenhoofdig ouderlijk gezag uit en het kind woonde bij haar in Nederland. De man, met de Gambiaanse nationaliteit, had het kind erkend, waardoor de zaak een internationaal karakter kreeg.
De rechtbank stelde vast dat zij rechtsmacht had op grond van Brussel II-ter verordening, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Het Nederlands recht was van toepassing conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Tijdens de procedure trok de advocaat het verzoek in, omdat het gezamenlijk gezag inmiddels was aangetekend in het gezagsregister.
Gezien de intrekking was er geen verdere beoordeling nodig en wees de rechtbank het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter Van Noort, tevens kinderrechter, op 8 mei 2024. Partijen en belanghebbenden werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.
Uitkomst: Het gezamenlijk verzoek tot vaststelling van gezamenlijk gezag is afgewezen wegens intrekking.