ECLI:NL:RBZWB:2024:3096

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
C/02/413582 / FA RK 23-4163
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk verzoek tot vaststelling gezamenlijk gezag over minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een gezamenlijk verzoek van een vrouw en een man tot vaststelling van gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2022. De vrouw oefende reeds eenhoofdig ouderlijk gezag uit en het kind woonde bij haar in Nederland. De man, met de Gambiaanse nationaliteit, had het kind erkend, waardoor de zaak een internationaal karakter kreeg.

De rechtbank stelde vast dat zij rechtsmacht had op grond van Brussel II-ter verordening, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Het Nederlands recht was van toepassing conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Tijdens de procedure trok de advocaat het verzoek in, omdat het gezamenlijk gezag inmiddels was aangetekend in het gezagsregister.

Gezien de intrekking was er geen verdere beoordeling nodig en wees de rechtbank het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter Van Noort, tevens kinderrechter, op 8 mei 2024. Partijen en belanghebbenden werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Het gezamenlijk verzoek tot vaststelling van gezamenlijk gezag is afgewezen wegens intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/413582 / FA RK 23-4163
Datum uitspraak: 8 mei 2024
beschikking gezamenlijk gezag
in de zaak van
[de vrouw](hierna: de vrouw),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen,
en
[de man](hierna: de man),
verblijvende te [woonplaats] , Duitsland,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 4 september 2023 ingekomen gemeenschappelijke verzoekschrift tot vaststelling gezamenlijk gezag, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Schrijvenaars van 14 februari 2024.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 25 maart 2024. Bij deze behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2
De man heeft de [minderjarige] erkend.
2.3
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige uit.
2.4
De [minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5
De vrouw en de [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit, de man heeft de Gambiaanse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
Verzoekers verzoeken hen samen te belasten met het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .

4.De beoordeling

4.1
Door de omstandigheid dat de man de Gambiaanse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek.
Rechtsmacht
4.2
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Ten aanzien van het gezag
4.4
Bij F9-formulier van 16 april 2024 heeft mr. Schijvenaars het voornoemde verzoek ingetrokken, daar het gezamenlijk gezag inmiddels is aangetekend in het gezagsregister. Nu dit verzoek niet meer voorligt, behoeft deze geen nadere beoordeling en beslissing meer. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Van Noort, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024 in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.