Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- primair, [gedaagde] te veroordelen om op grond van artikel 9 en Pro 12 van de CBW-voorwaarden, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 7.488,16 (€ 6.768,08 aan hoofdsom, € 713,40 aan incassokosten en € 6,68 aan rente tot en met 14 juli 2023), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.768,08 vanaf 15 juli 2023 tot de dag der voldoening;
- subsidiair, [gedaagde] te veroordelen om op grond van artikel 6:74 jo Pro. artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 7.488,16 (€ 6.768,08 aan hoofdsom, € 713,40 aan incassokosten en