ECLI:NL:RBZWB:2024:3134
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening ziektewetuitkering aan belastingjaar 2020
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020, waarin een ziektewetuitkering van €44.691 volledig was opgenomen. Hij stelde dat een deel van deze uitkering betrekking had op 2019 en daarom niet in de heffing over 2020 mocht worden betrokken. De rechtbank behandelde het beroep op 10 april 2024 en oordeelde dat de inspecteur de uitkering terecht geheel in 2020 heeft belast, omdat het genietingsmoment het moment van ontvangst is.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk, ondanks discussie over de termijn van indiening, vanwege de verwachting die de inspecteur had gewekt omtrent verzending van de uitspraak op bezwaar aan de gemachtigde. De aanslag en de rentebeschikking werden gehandhaafd omdat de inspecteur niet in strijd met wettelijke bepalingen had gehandeld.
Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Daarnaast kreeg belanghebbende proceskostenvergoeding van €218,75 en werd het griffierecht van €50 vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2020 blijft in stand; belanghebbende krijgt €500 immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.