AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontbinding en ontruiming woning wegens huurachterstand met voorwaarden
De Stichting Leystromen heeft een procedure gevoerd tegen de huurder wegens huurachterstand. Partijen kwamen overeen dat de huurder een achterstand van €4.695,96 had, plus incassokosten en wettelijke rente, en dat een betalingsregeling zou worden getroffen. De huurder erkende een UWV-uitkering te hebben en zou de verkoopopbrengst van een stacaravan en eventuele uitkering gebruiken voor betaling.
De rechtbank oordeelde dat de vorderingen toewijsbaar zijn en dat de huurder veroordeeld wordt tot betaling van de achterstallige huur, incassokosten, rente en de lopende huur vanaf mei 2024. Tevens werd de huurovereenkomst ontbonden met een voorwaardelijke ontruiming, waarbij de huurder binnen veertien dagen na betekening moet ontruimen indien niet aan de betalingsvoorwaarden wordt voldaan.
De proceskosten werden aan de huurder opgelegd. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en ontruiming bij niet-naleving van betalingsvoorwaarden.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Tilburg
Zaaknummer: 10972672 CV EXPL 24-1139
Vonnis van 15 mei 2024
in de zaak van
de stichting Stichting Leystromen,
gevestigd en kantoorhoudende te Rijen,
eiseres,
hierna te noemen: Leystromen,
gemachtigde: mr. J.N. Reijn, gerechtsdeurwaarder te Tilburg,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te ( [postcode] ) [plaats] , aan het [adres] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het tussenvonnis van 20 maart 2024 met de daarin genoemde stukken;
op 19 april 2024 is de zaak op een zitting met de rechter besproken. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt;
de e-mails met de Kredietbank Nederland, die op de mondelinge behandeling namens [gedaagde] zijn overlegd.
2.De beoordeling
2.1.
Na bespreking van de zaak verklaren partijen het eens te zijn geworden over het volgende:
a) De huurachterstand berekend tot en met april 2024 bedraagt € 4.695,96;
b) Wegens buitengerechtelijke incassokosten is huurder verschuldigd € 491,08 (inclusief btw);
c) De wettelijke rente bedraagt tot en met 19 februari 2024 een bedrag van
€ 43,69;
d) [gedaagde] dient de proceskosten te betalen, vastgesteld op € 136,72 voor de dagvaarding, € 496,00 voor griffierecht, € 542,00 voor gemachtigdensalaris (2 punten á € 271,00 voor de dagvaarding en voor de mondelinge behandeling) en € 135,00 voor de nakosten, derhalve in totaal € 1.309,72;
e) [gedaagde] geeft aan nog recht te hebben op een UWV-uitkering;
f) Partijen spreken af dat de verkoopopbrengst van de stacaravan en een eventuele uitkering door het UWV zullen worden gebruikt voor betaling van de achterstallige huur;
g) [gedaagde] zal één extra maand huur voldoen ter hoogte van € 936,16 in de maand mei 2024;
h) Binnen 2 maanden met ingang van de dag na heden spreken partijen een betalingsregeling af;
i) [gedaagde] zal blijven voldoen aan de lopende huurverplichtingen jegens Leystromen, te betalen steeds vóór de eerste dag van de maand;
j) Als [gedaagde] meer dan veertien dagen in gebreke blijft met de voldoening van enige termijn en/of met de lopende huurverplichtingen vanaf mei 2024, is hij in verzuim zonder dat een ingebrekestelling is vereist en zijn zij het gehele nog uitstaande bedrag (inclusief de nog niet verschenen termijnen) direct verschuldigd. In dat geval is [gedaagde] tevens met ingang van die dag over het verschuldigde bedrag de wettelijke rente van art. 6:119 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd.
2.2.
Leystromen wijzigt haar geldvordering tot hetgeen [gedaagde] krachtens voornoemde afspraken verschuldigd is en verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. [gedaagde] verzet zich niet tegen toewijzing van de gewijzigde vordering.
2.3.
Gehoord de standpunten van partijen, overweegt de kantonrechter dat de onvoldoende betwiste vorderingen, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, toewijsbaar zijn. Daarbij geldt wel dat, als ten minste één van de voorwaarden tot ontbinding van de huurovereenkomst intreedt, aan [gedaagde] een redelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis wordt geboden om het gehuurde te ontruimen.
2.4.
Voorts is de wettelijke huurverhoging enkel toewijsbaar over de bedragen die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn, zodat de wettelijke huurverhoging over de gebruiksvergoeding niet wordt toegewezen.
2.5.
[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeel tot betaling van de proceskosten zoals hiervoor onder 2.1. d) vastgesteld.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leystromen te betalen een bedrag van € 5.230,73 aan achterstallige huurpenningen tot en met de huur over de maand april 2024, buitengerechtelijke kosten en rente tot 19 februari 2024;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leystromen te betalen een bedrag van € 936,16 per maand voor iedere ingegane maand vanaf 1 mei 2024 tot het tijdstip van ontruiming;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.309,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
3.4.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] en veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al de zijne en het zijnen te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Leystromen te stellen, indien en zodra aan tenminste één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[gedaagde] is in gebreke de verkoopopbrengst van de stacaravan of de eventuele uitkering van het UWV te gebruiken voor betaling van de achterstallige huur; en/of
[gedaagde] is in gebreke met betaling van één extra maand huur in de maand mei 2024 als bedoeld onder 2.1 g); en/of
[gedaagde] is in gebreke met het overeenkomen van een betalingsregeling als bedoeld onder 2.1 h); en/of
[gedaagde] is, gedurende de periode van de aflossingsverplichting, in gebreke met de voldoening van enige termijn van de maandelijkse huur als bedoeld onder 2.1 i);
3.5.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op