De zaak betreft een geschil over een huurovereenkomst waarbij de verhuurder ontbinding en ontruiming vordert wegens een huurachterstand van meer dan drie maanden. De huurder erkent de achterstand maar voert verweer met onder meer het ontbreken van correcte informatie over huurverhoging en een gehackte e-mail.
De huurder vordert tevens in reconventie schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige daad en betwist de bevoegdheid van de makelaar en deurwaarder, maar deze vorderingen worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en gebrek aan bewijs.
De rechtbank stelt vast dat de huurachterstand € 3.313,46 bedraagt en dat de huurder de lopende huur grotendeels betaalt en contact zoekt met schuldhulpverlening. Hierdoor vindt de belangenafweging plaats in het voordeel van de huurder en wordt ontbinding en ontruiming afgewezen.
De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten worden toegewezen aan de verhuurder, terwijl de vordering van de huurder in reconventie wordt afgewezen. Het vonnis is gewezen door mr. Ebben en bij vervroeging uitgesproken op 15 mei 2024.