Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
€ 41,00 +;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De huurder huurde vanaf 1 december 2020 een zolderverdieping van een woning en betaalde bij aanvang een waarborgsom van €400. De huurovereenkomst eindigde per 1 februari 2023 en de huurder is inmiddels vertrokken. De verhuurder heeft de waarborgsom niet terugbetaald, terwijl de huurder het gehuurde in nette staat heeft opgeleverd.
De verhuurder stelde dat de huurder nog kosten verschuldigd was vanwege een voorschot op energiekosten en achtergelaten goederen, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van een all-in huurprijs zonder afzonderlijke verrekening van energiekosten en dat de verhuurder niet aannemelijk had gemaakt dat de huurder verantwoordelijk was voor de hogere energiekosten of de kosten van verwijdering van goederen.
De kantonrechter veroordeelde de verhuurder tot terugbetaling van de waarborgsom met wettelijke rente vanaf 22 februari 2023 en verklaarde dat de huurder niets meer verschuldigd is uit hoofde van de huurovereenkomst. Daarnaast werd de verhuurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom van €400 met wettelijke rente en de huurder is niets meer verschuldigd.