Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
€ 41,00 +;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De huurder [eiseres] huurde vanaf juni 2019 een woonruimte van verhuurder [gedaagde] en betaalde bij aanvang een waarborgsom van €400. De huurovereenkomst eindigde per 1 februari 2023 en de huurder is inmiddels vertrokken. De verhuurder heeft de waarborgsom niet terugbetaald, waarop de huurder deze terugvordering en een verklaring voor recht vorderde.
De verhuurder stelde dat de huurder nog kosten verschuldigd was vanwege een voorschot op energiekosten, achtergelaten goederen en vermissing van lamellen. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van een all-in huurprijs zonder afzonderlijke verrekening van energiekosten, en dat de verhuurder onvoldoende had onderbouwd welk bedrag nog verschuldigd was.
Verder was onvoldoende bewijs dat de achtergelaten goederen eigendom waren van de huurder, zodat verwijderingskosten niet konden worden toegewezen. Wel was vastgesteld dat de lamellen aan de huurder toebehoorden en deze aansprakelijk was voor de vervangingsschade, die werd vastgesteld op €50 met een nieuw-voor-oudcorrectie.
De kantonrechter veroordeelde de verhuurder tot terugbetaling van €350 van de waarborgsom plus wettelijke rente en proceskosten, en verklaarde dat de huurder niets meer verschuldigd is uit hoofde van de huurovereenkomst.
Uitkomst: Verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van €350 waarborgsom plus rente en proceskosten, huurder is niets meer verschuldigd.