Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 8 mei 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting op 24 april 2022. De officier van justitie achtte het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, gesteund door de verklaring van aangeefster en ander bewijs. De verdediging betoogde dat er onvoldoende overtuiging was en dat dwang ontbrak.
De rechtbank stelde vast dat verdachte en aangeefster seksuele handelingen hadden verricht, maar dat zij hierover verschillende verklaringen hadden afgelegd. De verklaring van aangeefster werd als betrouwbaar en geloofwaardig beoordeeld, mede door steunbewijs zoals telefoongegevens en getuigenverklaringen. De vraag was of de seksuele handelingen vrijwillig waren.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van dwang in de zin van artikel 242 Sr Pro. Er was geen geweld of bedreiging met geweld, noch voldoende bewijs voor andere feitelijkheden die dwang konden vormen. Hoewel verdachte mogelijk signalen van afwijzing heeft genegeerd, ontbrak het aan bewijs dat aangeefster zich niet kon verzetten. De rechtbank sprak verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar schadevordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs van dwang bij verkrachting.