ECLI:NL:RBZWB:2024:331
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op hogere aanvullende betalingskorting na herstel door Belastingdienst
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de hoogte van de toegekende betalingskorting op zijn voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020. De Belastingdienst had aanvankelijk een te lage betalingskorting berekend, maar herstelde dit door een aanvullende korting van €443 toe te kennen, waardoor de totale korting €445 bedroeg.
Belanghebbende stelde dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel recht had op een betalingskorting van 4% van het aanslagbedrag, circa €1.713, en vorderde een aanvullende korting van €1.268. Hij baseerde dit op een brief van de Belastingdienst waarin stond dat de betalingskorting 4% van het aanslagbedrag zou bedragen.
De rechtbank oordeelde dat de brief geen bindende toezegging bevatte, maar algemene informatie gaf. Bovendien was het voor belanghebbende duidelijk dat de korting niet op die wijze werd berekend, mede omdat het eerder toegepaste percentage van 0,01% ook werd vermeld. De rechtbank stelde vast dat de betalingskorting correct volgens de wet was berekend en dat het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet was geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de betalingskorting van €445 in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de betalingskorting van €445 blijft gehandhaafd.