Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
raadkamernummer : 23-013961
[veroordeelde]
Feiten
Procedure
de [advocaat] en de officier van justitie op zitting gehoord.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch legde op 27 januari 2014 een ontnemingsmaatregel op aan de veroordeelde, met een betalingsverplichting van €59.626,37. Na gedeeltelijke betaling resteerde een bedrag van €56.661,37. De veroordeelde verzocht op 31 mei 2023 om vermindering van dit bedrag, stellende dat hij alleen kan rondkomen van een bijstandsuitkering en slechts €64 per maand kan aflossen.
De rechtbank behandelde het verzoek op 26 april 2024, waarbij ook de bewindvoerder, advocaat en officier van justitie werden gehoord. De officier van justitie stond matiging toe, met het standpunt dat de veroordeelde tot september 2031 €60 per maand kan aflossen en zijn spaargeld van €3.727 moet inzetten.
De rechtbank oordeelde dat de draagkracht van de veroordeelde beperkt is, maar dat het wettelijke uitgangspunt blijft dat schuldenaar zijn schulden moet aflossen met alle middelen, inclusief spaargeld. Gezien de resterende executietermijn van 90 maanden en mogelijke toekomstige inkomsten, werd het ontnemingsbedrag verminderd tot €10.000. De beslissing werd op 24 mei 2024 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank vermindert het resterende ontnemingsbedrag tot €10.000 vanwege beperkte draagkracht veroordeelde.