4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Gelet op de bewijsmiddelen zoals genoemd in de bijlage, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Juridisch kaderTer beoordeling staat of het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op grond van vast te stellen feiten en omstandigheden waardoor het niet anders kan zijn dan dat het in beslag genomen geldbedrag van € 2.710,- uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Dit toetsingskader is ook van belang in de gevallen waarin de rechter aan de omstandigheden waaronder een voorwerp wordt aangetroffen, het vermoeden ontleent dat dit onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf (eenvoudig witwassen).
Vermoeden van witwassen
Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 4 juli 2023 werd verdachte aangehouden voor bezit van en handel in verdovende middelen. De woning waarin hij verbleef werd doorzocht. In een van de slaapkamers werd in de binnenzak van een jas een geldbedrag van € 2.710,- aangetroffen in verschillende coupures. Verdachte heeft verklaard dat dit geld van hem is. Ook heeft verdachte verklaard zich gedurende enkele maanden bezig te hebben gehouden met de handel in cocaïne en heroïne en zitten er in het dossier getuigenverklaringen waaruit blijkt dat verdachte langer dan deze periode gedeald heeft. Uit onderzoek naar de bankrekening van verdachte bleek er sprake te zijn van beperkte inkomsten.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer het vermoeden dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is.
Verklaring van verdachte
Aangezien sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
De verklaring van verdachte komt er in de kern op neer dat hij in 2021 een schadevergoeding van ongeveer € 22.000,- heeft gekregen van justitie en in 2022 een schadevergoeding van € 5.000,- heeft gekregen van het schadefonds jeugdzorg. Het aangetroffen geldbedrag is uit deze schadevergoedingen afkomstig.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet kan worden aangemerkt als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring.
Ten aanzien van de gestelde uitgekeerde schadevergoedingen geldt dat uit het inkomensonderzoek bij verdachte volgt dat hij de afgelopen jaren vrijwel geen inkomsten heeft genoten, terwijl hij wel in zijn levensonderhoud heeft moeten voorzien. Uit het dossier volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode ook nog onafgebroken een auto heeft gehuurd voor een bedrag van meer dan € 800,- per maand. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat na aftrek van die levensonderhoud- en huurkosten nog een bedrag van
€ 2.710,-- aan uitgekeerde schadevergoedingen resteert.
De rechtbank neemt voorts de wijze van aantreffen van het geld in aanmerking, namelijk een grote stapel van verschillende coupures die in een jaszak zat. Dit past naar het oordeel van de rechtbank in het beeld dat verdachte in de periode voorafgaand aan het aantreffen van het geldbedrag heeft gedeald in verdovende middelen (zie hierna onder feit 3) en daarmee contant geld heeft verdiend.
De verklaring van verdachte dat het aangetroffen geldbedrag niet uit de handel in verdovende middelen afkomstig is, maar van schadevergoedingen van jaren geleden, kan gelet op het voorgaande dan ook worden aangemerkt als een op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, die het vermoeden van witwassen niet opzij zet.
Op grond van het vorenstaande kan het niet anders zijn dan dat het geld onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan op de hoogte was.
De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde eenvoudig witwassen wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van april tot en met juni 2023 heeft gedeald in cocaïne en heroïne. Over de daaraan voorafgaande periode verklaart hij aan anderen drugs te hebben gegeven, zonder dat hij daar geld voor kreeg. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde periode van dealen, gelet op de getuigenverklaringen van de afnemers van verdachte. Zij verklaren namelijk al ruimschoots voor april 2023 van verdachte cocaïne en heroïne te hebben gekocht.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in cocaïne en heroïne, zoals onder feit 3 ten laste is gelegd.