Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- de moeder, met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 april 2024 het verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft op grond van eerdere besluiten bij de moeder. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 15 mei 2024, de datum waarop uitspraak wordt gedaan over het hoofdverblijf.
De GI rapporteert dat het goed gaat met de minderjarige bij de moeder, maar dat de verstandhouding tussen de GI en de vader verstoord is, waardoor communicatie moeizaam verloopt. De vader weigert medewerking aan de ingezette opvoedmodule en voelt zich onheus bejegend. De moeder stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij vindt dat het hoofdverblijf bij haar moet worden vastgesteld.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, gezien de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het onderlinge wantrouwen tussen ouders en GI. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 24 april 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder wordt verlengd tot 15 mei 2024 om het verblijf te continueren tot de hoofdverblijfprocedure is afgerond. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Verlenging van de ondertoezichtstelling tot 24 april 2025 en machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder tot 15 mei 2024, uitvoerbaar bij voorraad.