ECLI:NL:RBZWB:2024:3367
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Rekestprocedure
- De Beer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot afgifte en toevertrouwing minderjarigen wegens verkeerde rechtsingang
De vrouw vorderde in kort geding de afgifte en voorlopige toevertrouwing van twee minderjarige kinderen aan haar, met dwangsommen bij niet-naleving, en een verwijzing naar hulpverlening. Zij stelde dat de man de kinderen zonder haar toestemming uit Irak had meegenomen en dat zij ernstige zorgen had over hun veiligheid bij hem.
De man voerde verweer dat de vrouw de verkeerde procedure had gekozen en dat zij niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat zij een voorlopige voorzieningenprocedure volgens de artikelen 821-826 Rv had moeten starten. Hij stelde dat hij de kinderen op 12 april 2024 aan de vrouw had overgedragen in overleg met hulpverlening en dat er al een hulpverleningsaanpak liep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw inderdaad de verkeerde rechtsingang had gekozen aangezien partijen zich in een te starten echtscheidingsprocedure bevinden en de wet een uitputtende regeling kent voor voorlopige voorzieningen in die procedure. Daarom werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. De vorderingen van de man in reconventie werden afgewezen omdat de hoofdvorderingen niet ontvankelijk waren.
De Raad voor de Kinderbescherming maakte zich zorgen over de kinderen en startte een onderzoek naar de noodzaak van kinderbeschermende maatregelen. Partijen hadden toezeggingen gedaan over toevertrouwing en omgang, die de voorzieningenrechter verwacht na te komen. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot afgifte en toevertrouwing van de minderjarigen wegens verkeerde rechtsgang.