ECLI:NL:RBZWB:2024:3374
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2021, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €223.000. Hij stelde dat de waarde maximaal €201.000 zou moeten zijn, mede gebaseerd op een eerdere uitspraak uit 2008 waarbij de waarde werd verlaagd.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de heffingsambtenaar, die een taxatierapport overlegd had met vergelijkingswoningen die qua bouwjaar, oppervlakte en ligging voldoende vergelijkbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen en de gehanteerde vergelijkingsmethode adequaat waren en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen.
De stelling van belanghebbende dat de waarde van eerdere jaren leidend zou moeten zijn, werd verworpen omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele feiten en omstandigheden. Gezien deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €223.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.