ECLI:NL:RBZWB:2024:3403

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 mei 2024
Publicatiedatum
24 mei 2024
Zaaknummer
22/4918
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:91 AwbArt. 8:94 Awbartikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning met toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €198.000 per 1 januari 2021, en tegen de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2022. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarde. De rechtbank stelde vast dat de WOZ-waarde tussen partijen niet langer in geschil was, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.

Belanghebbende vorderde daarnaast een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De redelijke termijn bedraagt twee jaar vanaf ontvangst van het bezwaarschrift, maar de rechtbank oordeelde dat deze termijn met twee maanden was overschreden. Op grond van jurisprudentie en het financiële belang werd een vergoeding van €50 toegekend.

De overschrijding viel toe te rekenen aan de Staat der Nederlanden, die daarom werd veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding van €218,75 voor de gemachtigde van belanghebbende. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en OZB-aanslag gehandhaafd, maar de vergoeding wegens termijnoverschrijding toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een schadevergoeding van €50 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde ir. [naam] , aangesloten bij [bedrijf] )
en

de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 september 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2022 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 198.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Hulst voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar mr. B. de Smit deelgenomen. Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een twee-onder-een-kapwoning (bouwjaar 1975) met een gebruiksoppervlakte van 112 m2, een vrijstaande garage van 16 m2, een berging van 6 m2 en een grondoppervlakte van 307 m2.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning in de uitspraak op bezwaar gehandhaafd op € 198.000. Voorafgaand aan de zitting is vastgesteld dat de waarde van de woning tussen partijen niet (langer) in geschil is. De daartegen aangevoerde beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.1.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 24 maart 2022. De rechtbank doet uitspraak op 24 mei 2024, waarmee de redelijke termijn is overschreden met twee maanden.
3.2.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 50.
3.3.
De bezwaarfase is geëindigd met de uitspraak op bezwaar op 15 september 2022. De bezwaarfase heeft afgerond zes maanden geduurd. Dit brengt mee dat de overschrijding voor rekening komt van de Staat der Nederlanden. De Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
4.1.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en de wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dus € 218,75, te betalen door de Staat.
4.2.
Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht niet te vergoeden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft belanghebbende gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb. Daarvoor was belanghebbende geen griffierecht verschuldigd (artikel 8:94, tweede lid, van de Awb). Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan. [1]
4.3.
De vergoeding van immateriële schade en proceskosten moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald. [2]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 24 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ.