Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2021, welke door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €474.000. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor 2022 opgelegd op basis van deze waarde. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de waarde te hoog is vastgesteld.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een waarderapport van een taxateur, waarin de vergelijkingsmethode is toegepast met drie referentiewoningen. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen, zoals bijgebouwen, grondoppervlakte en ligging nabij hoogspanningsmasten.
Belanghebbende heeft een andere woning aangevoerd als referentie, maar deze is niet geschikt omdat de verkoop niet binnen een jaar van de waardepeildatum heeft plaatsgevonden. Ook het argument dat de waardestijging te hoog zou zijn ten opzichte van voorgaande jaren wordt door de rechtbank verworpen, omdat de WOZ-waarde jaarlijks op basis van actuele feiten wordt vastgesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.