De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die onder toezicht staat sinds juni 2023. De minderjarige woont bij zijn moeder en geeft aan dat de situatie minder ernstig is dan voorgesteld, met incidentele conflicten vooral veroorzaakt door zijn broer. De GI stelt dat de thuissituatie onveilig is door fysieke confrontaties en onvoldoende gezagsuitoefening door de moeder, en acht uithuisplaatsing noodzakelijk.
De moeder verzet zich tegen het verzoek en benadrukt dat de situatie niet zodanig zorgelijk is dat uithuisplaatsing gerechtvaardigd is, mede omdat binnenkort een hulptraject start. De vader stelt alternatieve opties voor, waaronder tijdelijke uithuisplaatsing met contactherstel.
De kinderrechter overweegt dat er geen nieuwe feiten zijn die de eerdere afwijzing van een spoedmachtiging rechtvaardigen. Gelet op de verklaringen en stukken is onvoldoende gebleken dat uithuisplaatsing noodzakelijk is. De minderjarige mag niet gestraft worden voor de onrust in huis, vooral omdat de broer vaak de aanstichter is. Een hulpverleningstraject zal starten en uithuisplaatsing wordt gezien als uiterste middel dat nu niet nodig is.
Daarom wijst de kinderrechter het verzoek om een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing af. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden via de griffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.