Belanghebbenden zijn eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 2004 met een oppervlakte van 186 m² en een perceel van 260 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €492.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbenden maakten bezwaar tegen deze waarde en de aanslag, stellende dat de waarde maximaal €475.000 zou moeten zijn.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van het taxatierapport van 30 oktober 2023, waarin de waarde op €515.000 werd getaxeerd op basis van vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen. De heffingsambtenaar toonde aan dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat er rekening was gehouden met verschillen in onderhoud, bouwjaar en voorzieningen.
Belanghebbenden voerden aan dat de referentiewoningen beter onderhouden waren, minder voorbereid op energietransitie, en dat er sprake was van overlast door buren, wat de waarde zou drukken. Deze gronden werden niet met toetsbare stukken onderbouwd en de rechtbank achtte de overlast subjectief en onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook was er geen bewijs dat de makelaar de waarde op €475.000 had getaxeerd.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De aanslag OZB volgt het oordeel over de WOZ-waarde en blijft gehandhaafd. Belanghebbenden krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.