Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €740.000 per 1 januari 2022, en tegen de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en de aanslag. De rechtbank beoordeelde het beroep op 28 maart 2024 en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde maximaal €650.000 zou moeten zijn en stelde dat hij een pro-forma bezwaarschrift had ingediend zonder gronden, omdat hij tijdens contact met de gemeente geen aanvullende onderbouwing mocht geven. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar belanghebbende had moeten verzoeken om bezwaargronden in te dienen, wat niet was gebeurd, waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden. Dit leidde tot toekenning van proceskostenvergoeding.
De waarde was vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen werden gebruikt. Twee referentiewoningen werden buiten beschouwing gelaten vanwege te ver verwijderde transactiedata. De overgebleven referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar. Bezwaren van belanghebbende over ligging, overlast, isolatie en gedateerd schilderwerk werden door de rechtbank niet als voldoende onderbouwd geacht. De WOZ-waarde en OZB-aanslag bleven gehandhaafd.